Hogere royaltyvergoeding filmmakers op grond van Bestseller bepaling in Auteurswet

Posted in Intellectual Property Litigation

Op 27 juli 2018 heeft de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht (“Geschillencommissie”) voor het eerst een uitspraak gedaan over de bestseller bepaling. Op grond van deze bepaling in de Auteurswet hebben makers, zoals de schrijver van een film of boek, een regisseur, acteur, journalist of een ontwerper, recht op een hogere vergoeding indien de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding niet in verhouding staat tot de opbrengst door de exploitatie van het werk.

De makers van de film ‘Soof 2’, zijnde de schrijfster en regisseuse van de film, dienden vorig jaar een klacht in bij de Geschillencommissie. De schrijfster en regisseuse zijn van mening dat de film Soof 2 als bestseller moet worden aangemerkt en dat zij hierdoor recht hebben op een hogere royaltyvergoeding. Een royaltyvergoeding is een vergoeding die wordt betaald voor het gebruik van andermans intellectueel eigendomsrecht. In dit geval gaat het om het gebruik van het auteursrecht van de schrijfster en de regisseuse van de film. De film Soof 2 was een groot succes in de Nederlandse bioscopen en trok veel meer bezoekers dan verwacht. De film bracht in totaal ruim 8 miljoen euro op.

Op basis van de overeenkomst met de producenten van de film hebben de schrijfster en regisseuse recht op een royaltyvergoeding van respectievelijk 5 en 7 procent. De schrijfster en regisseuse vinden dit percentage onevenredig in verhouding tot de opbrengst van de film Soof 2. Ook vinden zij dat dit percentage niet in verhouding staat tot de royaltyvergoeding van 50% die de producenten van de film op basis van de overeenkomst ontvingen. De schrijfster en regisseuse betogen dat zij op een eerlijke manier mee moeten delen in de opbrengst van de succesfilm.

Per 1 juli 2015 is de Nederlandse Auteurswet aangepast en het Auteurscontractenrecht in werking getreden. De Auteurswet kent sindsdien een zogenaamde “Bestseller” bepaling. Deze is terug te vinden in artikel 25d Auteurswet.

Uitspraak

De Geschillencommissie overwoog dat de schrijfster en regisseuse in zekere mate afhankelijk zijn van de producenten omdat deze afspraken maken met distributeurs van de film. Aangezien de film Soof 2 zeer succesvol was oordeelt de Geschillencommissie dat de royaltyvergoedingen die de schrijfster en regisseuse hebben ontvangen te laag zijn ten opzichte van de opbrengsten die de film heeft gegenereerd. De commissie oordeelt dat de producenten de royaltyvergoeding van de schrijfster en de regisseuse met 5% moeten verhogen naar respectievelijk 10 en 12 procent.

Dringend eigen gebruik toch niet aannemelijk

Posted in Dutch Real Estate Law

Een verhuurder van horecaruimte kan een huurovereenkomst tegen het einde van een termijn (bij een overeenkomst voor bepaalde tijd) of tussentijds (bij een overeenkomst voor onbepaalde tijd) opzeggen indien hij aannemelijk maakt dat hij de horecaruimte dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Met ‘aannemelijk maken’ wordt bedoeld dat de rechter niet gebonden is aan de regels van bewijsrecht en dat hem een grote mate van vrijheid toekomt bij het vormen van zijn oordeel over het voldoende vaststaan van de feiten. Dat de gehanteerde maatstaven sterk uiteen kunnen lopen, blijkt uit een recente uitspraak.

Gewijzigde omstandigheden

Op 31 juli 2018 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een arrest gewezen waarmee zij een vonnis van rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg bekrachtigt waarin werd geoordeeld dat een verhuurder het “dringend eigen gebruik” van een horecaruimte niet voldoende aannemelijk kon maken en de huurovereenkomst daarom niet kon beëindigen.

In het voorkomende geval wilde de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen om de horecaruimte na een ingrijpende verbouwing te exploiteren als ‘hoogwaardig boetiekhotel’. De verhuurder had inmiddels de nodige voorbereidingen getroffen. Hij had een aannemer een vooronderzoek laten doen naar zijn plannen, een gespecialiseerd bureau een behoefteonderzoek laten uitvoeren, en een architect schetsen laten opstellen en die laten indienen bij de betreffende gemeente.

Ondanks al deze voorbereidingen acht het Hof het onvoldoende aannemelijk dat de verhuurder het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Het vooronderzoek is volgens het Hof niet specifiek toegespitst op de plannen ten aanzien van het gehuurde. Omdat het behoefteonderzoek drie jaar oud en dus gedateerd is, kan volgens het Hof niet uitgesloten worden dat de behoefte op de hotelmarkt inmiddels is gewijzigd. Omdat het schetsontwerp van het monumentale pand slechts besproken is met een stedenbouwkundige en niet ook met een monumentenadviseur, kan ook aan het schetsontwerp en het contact met de gemeente weinig waarde worden toegekend.

Realiseerbaarheid gebruik

Uit eerdere rechtspraak (De Zilvermeeuw/Victoria, Scheltema/Cornelis en Tokkie/Michael) is naar voren gekomen dat beëindiging van een huurcontract op grond van ‘dringend persoonlijk gebruik ’niet kan worden toegewezen als het voorgenomen gebruik om praktische en/of juridische redenen gronden niet realiseerbaar is. De verhuurder moet een wezenlijk belang hebben bij beëindiging van de huur en als het voorgenomen gebruik niet realiseerbaar is, ontbreekt het vereiste belang.

Uit dezelfde rechtspraak kwam ook naar voren dat de verhuurder niet hoeft aan te tonen dat alle benodigde vergunningen voor een voorgenomen verbouwing ook inderdaad zullen worden verleend. Enige onzekerheid staat dan ook niet in de weg aan beëindiging.

Nieuwe norm?

Het lijkt erop dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de lat voor de verhuurder hoger heeft gelegd dan op grond van gangbare jurisprudentie te verwachten was. Als de beoordeling door het Hof de nieuwe norm wordt, dienen verhuurders goed beslagen ten ijs te komen en worden ze mogelijk gedwongen om hoge te kosten om de plannen met het gehuurde verder uit te werken, ter onderbouwing van de praktische en juridische haalbaarheid van de opzegging terwijl het tijdens het maken van de kosten nog niet zeker is of de vordering tot beëindiging wordt toegewezen.

The European Account Preservation Order: A Method for Debt Recovery Throughout the EU

Posted in Corporate Law, debt recovery, EU, European Union Law

Introduction

The rules governing seizure of a cross-border bank account in the EU follow from the EU Regulation establishing a European Account Preservation Order (EAPO). Such Regulation was created to facilitate cross-border debt recovery in civil and commercial matters. Under this seizure procedure, a creditor will be able to obtain an EAPO to freeze funds in the bank account of a debtor in another EU country (excluding the United Kingdom and Denmark). Before the Regulation, cross-border account seizure required applications to the courts in each country in which a debtor held a bank account. Since the introduction of the EAPO, this is no longer necessary.

EAPO Procedure Requirements

An EAPO procedure applies only to cases in which the debtor holds his bank account in i) an EU country (except the United Kingdom and Denmark) other than the country of the court issuing the order; or ii) an EU country other than the one in which the debtor is domiciled. An application can be made before, during, or after the main proceedings if the creditor convinces the court that there is a real risk that the later collection of the creditor’s claim against the debtor will be made more difficult (e.g., as result of embezzlement of funds).

To obtain an EAPO, the creditor must submit a standard form application to the same court that will handle the creditor’s claim against the debtor. The creditor should include a description of his claim and supporting evidence. Also, the creditor must identify the debtor’s bank, and if known, the bank account number.

If a creditor files for an EAPO before his claim has been recognized in a court award, additional conditions apply to obtain an EAPO. First, the creditor must provide evidence that his claim is likely to be recognized by the court. Second, the creditor must provide security in order to protect the debtor against misuse of the EAPO by the creditor. The court determines the amount of the security and the manner in which it should be provided (e.g., security deposit or other type of guarantee).

EAPO Procedure Effects

The court will decide on the application within 5-10 days. Once issued, an EAPO will be automatically recognized throughout the EU without further court intervention. Banks are required to give effect to the EAPO without delay and to report to the creditor the amount seized within three business days.

The creditor must also take action after submitting the application: he must file his claim against the debtor within 30 days after submitting his EAPO application or within 14 days of the EAPO’s date of issue (whichever date is later). The bank account of the debtor will be seized up to the amount specified in the EAPO.

Conclusion

The EAPO brings many advantages compared to historically difficult cross-border seizures. The procedure is faster, lower-cost, and much easier for the creditor. The threshold to apply for seizure of an account in another EU country should now be significantly lower than before the Regulation. However, the requirement that the creditor provide security for the duration of the account seizure can become prohibitively burdensome.

EU and U.S. Legislation on International Data Transfers: Change and Challenges

Posted in data protection, EU, European Union Law, GDPR, Intellectual Property Litigation

The European General Data Protection Regulation (GDPR) has brought important changes to the legal grounds for data transfers between the EU and the United States. Simultaneously, a new act in the United States has come into force that also affects data transfers between the United States and the EU. This act, the Clarifying Overseas Use of Data Act (the CLOUD Act) creates legal uncertainty and could lead to violations of GDPR.

Continue reading.

Vertical Agreements: Permitted Passive Sales and Public Procurement in the EU

Posted in Antitrust, Competition Law, EU, European Union Law

Under EU competition law, it is allowed in most vertical agreements to grant distributors exclusivity for a territory or customer group. Selective distribution is the well-known exception, where no geographic restrictions may be imposed on any level in the selective network. The EU’s Vertical Block Exemption Regulation (VBER) allows suppliers to restrict active sales by a distributor as to the territories of exclusive customers reserved by the principal or allocated to other exclusive distributors (provided this does not restrict the customers of such distributors).

Passive sales may not be restricted. The Guidelines on Vertical Restraints of the European Commission (the Guidelines) define passive sales as follows

[R]esponding to unsolicited requests from individual customers including delivery of goods or services to such customers. General advertising or promotion that reaches customers in other distributors’ (exclusive) territories or customer groups but which is a reasonable way to reach customers outside those territories or customer groups, for instance to reach customers in one’s own territory, are considered passive selling.

Sales over the internet are included in the Guidelines’ definition of passive sales.

The qualification of a passive sale was recently expanded in an interesting Austrian case, which may have an impact on procurement in the other EU countries.

The Austrian National Competition Authority (NCA) received a complaint from a public hospital operator with respect to difficulties procuring surgical instruments from distributors abroad through an EU-wide public procurement process. Other distributors in the EU were allegedly unable to sell the medical devices due to exclusive distribution rights granted by the supplier to an Austrian distributor.

The NCA found that participation in a public procurement procedure amounts to a passive sale, which cannot be subject to restrictions in distribution agreements. In response to the concerns raised by the NCA, the parties have offered to eliminate the restrictions identified and clarify distribution agreements in accordance with EU competition law. On 22 May 2018, the NCA requested that the Austrian cartel court make the commitments binding. Such a decision by the cartel court would make no determination as to the existence of a competition law infringement, but the underlying definition of a passive sale may be a compelling precedent.

Given the implications of restricting passive sales, which is clearly prohibited under EU law and many national competition laws, parties should consider amending their existing distribution contracts.

Dutch Data Protection Authority on the Move: Audit of Dutch Hospitals and Dutch Health Care Insurers

Posted in Announcements, data protection, EU, European Union Law, GDPR

Announcement by Dutch DPA

The Dutch Data Protection Authority (Dutch DPA) announced on 21 August 2018 that it has audited 91 hospitals and 33 health care insurers regarding the obligation of these organizations to appoint a data protection officer. This ‘new’ requirement follows from the General Data Protection Regulation (2016/679) (GDPR), which came into force on 25 May 2018.

Background on appointment of data protection officers

The appointment of a data protection officer is, among other things, required for organizations that collect special categories of data as a core activity. One of these special categories is data revealing genetic and biometric information or data concerning health. Collecting such data is a core activity of hospitals and health care insurers, as this is inherent to their services. Consequently, these organizations are required to appoint a data protection officer under the GDPR.

Findings of Dutch DPA

The Dutch DPA discovered that two hospitals neglected to satisfy their notification requirements as to the appointment of their data protection officers. The Dutch DPA has given these two hospitals a four-week grace period to appoint a data protection officer and end their GDPR infringement. This grace period seems to indicate that the Dutch DPA did not in this case immediately impose a fine or an order subject to a penalty in spite of these GDPR infringements.

Another point of focus during this audit was whether hospitals and health care insurers had published the contact details of their data protection officer on their website. Almost 25 percent of the audited organizations had neglected this step.

To be GDPR compliant, these organizations are required to implement these measures.

More audits to come?

This audit of hospitals and health care insurers provides some insight on how the Dutch DPA will approach audits and GDPR enforcement moving forward.

The Dutch DPA made clear that it will continue performing audits on a random basis to check whether companies and organizations are in compliance with the GDPR. Such checks may include the following (to name a few):

  • whether the contact details of the data protection officer are published on the website
  • whether a notification of the appointment of the data protection officer was made to the Dutch DPA
  • whether records of processing activities are maintained (a data controller is required under the GDPR to maintain a record of processing activities that take place under its responsibility)

The Dutch DPA has also previously audited governmental organizations for the appointment of data protection officers and large private organizations for keeping records of processing activities. In our view, more unanticipated audits from the Dutch DPA should be expected shortly.

Another Major Step Towards a New Environment and Planning Act in the Netherlands

Posted in Announcements, property law, real estate

The Dutch government is working on a major overhaul of the statutory environmental framework in the Netherlands. In this context, four key environmental decrees (AMvBs) (the Decrees) were adopted and published in the Dutch Government Gazette on Aug. 31, 2018.

The publication of the Decrees is part of a major and fundamental revision of practically all Dutch environmental legislation. Dozens of acts and decrees and hundreds of rules will be bundled into one Environment and Planning Act (Omgevingswet) (the Act), including the Decrees. The Act itself was published in the Government Gazette on April 26, 2016.

This legislative program includes significant changes. Statutory obligations to attain a permit will, for example, be reduced or replaced with more general environmental rules. As a result, the industry expects a shift from permitting to supervision and enforcement. In addition, facilities with large amounts of hazardous substances will be exposed to administrative fines if they violate hazardous substances regulations (such a measure currently is not available for administrative authorities in the enforcement of hazardous substances).

Further, the municipal zoning plan (currently a key administrative instrument used to assign certain uses to plots of land) will be replaced with a new instrument, the environment plan (omgevingsplan), which should include comprehensive environmental rules (and not just the designated use of a plot). Based on the Act, local authorities may also choose to abolish the (current) requirement to attain a building permit, if they see fit. These amendments may have a major impact on development projects in the Netherlands.

The Act and the Decrees are scheduled to enter into force on Jan. 1, 2021. This allows for a period of transition during which governmental authorities and the industry can take the necessary preparatory actions.

 

Another Interest Deduction Limitation Rule in Dutch Corporate Income Tax Law

Posted in Corporate Law, Dutch Tax Law, EU, European Union Law

As part of global and European initiatives against tax avoidance, all EU member states are required to incorporate the EU Anti-Tax Avoidance Directive (ATAD) into domestic tax law no later than 1 January 2019. ATAD contains a number of rules in the areas of interest deduction, exit taxation, general anti-abuse, and controlled foreign companies. A formal legislative proposal for the incorporation of ATAD into Dutch tax law will be submitted to parliament on 18 September 2018 (Budget Day).

One of the announced measures is the so-called earnings stripping rule (the Earnings Stripping Rule), which limits the deduction of interest expenses for Dutch corporate income tax purposes in certain circumstances. Such deduction limitation could lead to a higher taxable amount. Based on the Earning Stripping Rule, Dutch companies would only be allowed to deduct “net borrowing costs” if and to the extent these net borrowing costs would not exceed the highest of:

(i)    30 percent of the company’s taxable earnings before interest, taxes, depreciation, and amortization (EBITDA), and

(ii)   EUR 1 million

Net borrowing costs are equal to the company’s annual interest expenses (including any costs related to the loan and currency exchange results), less interest income. As the Netherlands aims to have equal treatment of both equity and debt, it was decided to take a stricter approach than that prescribed by ATAD. Consequently, the Dutch government expressed, inter alia, the intention that there will be no grandfathering for existing loans and that the new legislation will not include a group escape rule.

The flip side is that some of the existing interest deductibility limitation rules may be abolished together with the introduction of the Earnings Stripping Rule. More details will follow in another blog as soon as the legislative proposal has been submitted.

 

Aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen ook verplicht voor rijklare auto´s die niet meer worden gebruikt

Posted in European Union Law

Ook de verplichte verzekering van motorvoertuigen is een uitvloeisel van Europese regelgeving. Daarom is de volgende beslissing van het Europese Hof ook van belang voor bijvoorbeeld verzamelaars van nog rijklare auto’s.

Wat gebeurde er. Een Portugese dame, die om medische redenen geen gebruik meer maakte van haar auto, had deze thuis gestald maar niet uit het verkeer genomen. Op enig moment in 2006 ging haar neef daarmee joyrijden, en veroorzaakte met die niet-verzekerde auto een dodelijk ongeval.

Het Portugese equivalent van ons Waarborgfonds moest uitkeren en zocht vervolgens verhaal, onder meer op de tante als eigenaar van de niet-verzekerde auto. Daarbij kwam aan de orde of de eigenaar van een motorvoertuig verplicht is een verzekering te nemen, ook als de auto daadwerkelijk niet meer wordt gebruikt.

De eerste rechter nam aansprakelijkheid aan, zoals dat ook geldt bij een gestolen auto, als de eigenaar onvoldoende zorg heeft betracht. In hoger beroep werd geoordeeld dat de verzekeringsplicht niet geldt voor auto’s waarvan de eigenaar besluit niet meer aan het verkeer deel te nemen. In cassatie besloot de hoogste Portugese rechter een prejudiciële vraag aan het Europese hof te stellen.

Op 4 september 2018 oordeelde het Europese Hof dat onder de Europese regels een verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid verplicht is, wanneer de auto in kwestie:

  • nog steeds in een lidstaat is ingeschreven, en
  • geschikt is voor de weg,

ook als de eigenaar niet van plan is er nog mee te rijden en de auto heeft gestald op een privéterrein.

Daarnaast besliste het Hof dat bij gebreke van die verzekering het “waarborgfonds” verhaal kan nemen op de eigenaar van die onverzekerde auto, ook als die niet wettelijk aansprakelijk is voor het ongeval.

Short Stay Policy in Amsterdam: Limited Room for Balancing Individual Interests

Posted in Dutch Property Law, Dutch Real Estate Law, property law, real estate

Background

Amsterdam and the conurbation are suffering a housing shortage (as is common in many larger cities). The municipality therefore seeks to limit new developments of short stay accommodations in most parts of the city. A “short stay” is defined by the Amsterdam municipality as at least four days and at most six months continuously. Under the Housing Act, switching from regular residential use to a short stay generally requires a permit for conversion and one for deviation from the zoning plan.

Facts

In 2009, the Amsterdam municipality adopted a restrictive short stay policy that included quotas on how many conversion permits (from regular housing to short stay) could be issued (the Policy). Based on the Policy, the municipality declined to issue a permit to deviate from the zoning plan to create short stay accommodations at the Prinsengracht in Amsterdam. However, the Policy’s quota had not yet been reached at the time of the permit application filing. Thus, the municipality based its decision on a balancing of interests involved and not on the Policy.

Judgement

On 27 June 2018, the Administrative Law Division of the Council of State (the Netherlands’ highest administrative court) ruled that the municipality had no grounds to deny the permit, noting that the Policy must be interpreted strictly and does not leave room for further balancing of interests. If the quotas have not yet been reached, it held, the interests of the permit applicant should outweigh the interests of the preservation and composition of housing stock.

Conclusion

Under Dutch law, an administrative body must comply with its own policy, including those relating to short stay accommodations. Thus, the body’s policy may provide the opposing side with strong arguments in court in the case of a denial of a permit or an enforcement action.

LexBlog