Als gevolg van de coronacrisis moeten veel bedrijven noodgedwongen hun deuren (letterlijk of figuurlijk) sluiten. Daarmee neemt ook de vraag naar producten en diensten af of komt juist de aanvoer in het gedrang. Veel bedrijven zien zich geconfronteerd met commerciële contracten waarvan zij de verplichtingen tot afname of levering niet meer kunnen of willen nakomen, of waarbij nakoming door gestegen kosten of gebrek aan afnemers onredelijke negatieve gevolgen zou hebben. De wet kent een regeling die in dergelijke gevallen uitkomst kan bieden: de onvoorziene omstandigheden.

Veel Nederlandse ondernemingen doen zaken met buitenlandse partijen. Voor zover de contracten met deze partijen geen rechtskeuze voor Nederlands recht bevatten, dient men allereerst vast te stellen of Nederlands recht van toepassing is. Het uitgangspunt naar Nederlands recht is dat (contracts)partijen zich tegenover elkaar redelijk dienen op te stellen en rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen (art. 6:2 BW en art. 6:248 BW). Dat brengt met zich dat het onder bepaalde omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan zijn om een contractspartij aan bepaalde verplichtingen te houden, als dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het is daarom raadzaam om eerst in onderling overleg met een contractspartij te proberen de balans en risicoverdeling (in ieder geval tijdelijk) te herstellen in het licht van de huidige situatie.

Onvoorziene omstandigheden

Mochten partijen er onderling niet uitkomen, dan is een gang naar de rechter mogelijk. Op grond van art. 6:258 BW kan de rechter op vordering van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden. Aan de wijziging of ontbinding kan ook terugwerkende kracht worden verleend.

Voor een succesvol beroep op onvoorziene omstandigheden moet allereerst sprake zijn van onvoorziene omstandigheden. Onvoorzien houdt niet in dat niemand een dergelijke situatie had kunnen voorzien, maar vereist enkel dat het contract tussen partijen geen regeling biedt voor dergelijke omstandigheden.

Daarnaast moeten de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de contractuele wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Hierbij past de rechter het criterium van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW) toe. Dat is een hoge drempel en zal door de rechter terughoudend moeten worden toegepast. Betreft het omstandigheden die normaal gesproken (“krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen”) voor rekening komen van één der contractspartijen als onderdeel van het normale ondernemersrisico, dan zal ten behoeve van die partij geen wijziging of ontbinding van de overeenkomst worden uitgesproken. Daarvan zal geen sprake zijn als een partij door instandhouding van de overeenkomst in grote financiële problemen dreigt te komen of afstevent op een faillissement.

Als het beroep op onvoorziene omstandigheden slaagt, heeft de rechter een hoge mate van vrijheid om de overeenkomst te wijzigen of te ontbinden. Dit kan geheel of gedeeltelijk en kan ook tijdelijk van aard zijn (denk aan een tijdelijke opschorting van de betalings- of afnameverplichting). Het doel is om het contractuele evenwicht en de risicoverdeling tussen partijen te herstellen in het licht van de gewijzigde omstandigheden. Daarbij zal de rechter wel zoveel mogelijk moeten aansluiten bij de risicoverdeling die partijen zijn overeengekomen.

Conclusie

Als ongewijzigde instandhouding van een overeenkomst in het licht van de coronacrisis voor een der partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kan die partij wijziging of ontbinding vorderen bij de rechter om zo (tijdelijk) het contractuele evenwicht te herstellen.